Oude Humo-recensies: Fiona Apple - When The Pawn
Fiona Apple – When The Pawn … (Clean Slate/Epic 496428 2)
Vorige maand nog stelden we dat Fiona Apple stond tot Tori Amos als Bompa Lawijt tot Fawlty Towers, maar vandaag verplicht “When The Pawn” – afschrift van de volledige, meterslange plaattitel op eenvoudig schriftelijk verzoek - ons op die al te snel gezette passen terug te keren: Aan het handje van Jon Brion, die eerder Aimee Mann “Whatever” en Rufus Wainwright “Rufus Wainwright” ontlokte, levert Fiona Apple een even rijke als warme plaat af. Het jazzy, kamerbreed gearrangeerde “When The Pawn” laat niet de rest van het deelnemersveld aan de honderd meter popmuziek achter zich, maar is niettemin erg te genieten. Fiona Apple is Alanis Morrissette min bombast, Ani Difranco plus hitpotentie en k.d. lang plus sex-appeal. Fiona en “When The Pawn” dragen het hart op de tong en verhalen in de behoorlijk intieme teksten rechtuit over onzekerheid, onverwerkt verdriet en relaties, zonder ons daarom in detail mee te delen wie in welk theatre ook al weer down on wie ging. Zulke discretie weten wij te waarderen. Spicy girl! (tvb)Labels: humo
Oude Humo-recensies: Filter - Title Of Record
Filter – Title Of Record (Reprise/Warner 9362-47388-2)
In 1995 complimenteerde Filter de genaamde Kurt Donald Cobain via “Hey Man Nice Shot” uitgebreid met zijn schutterskwaliteiten. Zelf blijken ze minder goed te kunnen mikken: “Title Of Record”schreeuwt en kraakt en piept en schurkt zich af en toe zelfs tegen ons gemoed aan, maar slaagt er nergens in ons te raken. In een wanhopige poging zelfs ook maar een schampschot op te vangen, hebben we onze mening na iedere song weer op nul geijkt en volop gepoogd het voorgaande te vergeten, maar onze inspanningen bleken vergeefs: Filter is Nine Inch Nails zonder pijn, Tool zonder spanning en Marilyn Manson zonder humor, oftewel kut mét peren. (tvb)Labels: humo
Oude Humo-recensies: Tori Amos - To Venus And Back
Tori Amos – To Venus And Back (2CD’s) – Atlantic – 7567-83242-2
Tellend vanaf het hardrock-misbaksel “Y Kant Tori Read?” uit 1988, dat we als rechtgeaarde kenners zelf uiteraard ook niet gehoord hebben, is “To Venus And Back” het zesde album van de half Indiaanse, half Schotse en helemaal kierewiete domineedochter Tori Amos. De officiële Amos-jaartelling begint echter in 1991 bij het mooie, beklemmende “Little Earthquakes”, dat de Humo-residentie bij wijze van wolfsijzer nog steeds bescherming biedt tegen ongenode bezoekers. “To Venus And Back” was in aanleg een live-album dat, aangevuld met enkele b-kantjes en outtakes, een windstille periode diende te overbruggen. Eigenlijk dacht La Amos dit keer niks te melden te hebben, gespaard als ze was gebleven van leed als een verkrachting, scheiding of miskraam, feiten die als een dikke rode draad door voorgaande platen liepen. De verkrachting en de miskraam waren beter dan de scheiding. Tijdens het opnemen van enkele extra tracks voor “Venus And Back” laaide het vuur in onze favoriete geschifte bosnimf echter zodanig op dat ze gelijk een volwaardig album bij elkaar stookte, met als nog nasmeulend resultaat het eerste deel van het tweeledige “Venus …”. Een tweede deel biedt ons daarnaast een willekeurige dwarsdoorsnede uit de tournee die in 1998 ook halt hield in het door de publieks- en weergoden geteisterde maar door de muziekgoden gezegende T-W. Onze aandacht gaat hier echter in de eerste plaats uit naar het nieuwe werk dat zich verzameld ziet op deel één en waarin Tori dieper graaft dan de Jumet-bulldozers. Aan de teksten valt naar goede gewoonte weer geen touw vast te knopen, zoals in “Bliss”, waarin ze de Allerhoogste toekirt. Tenzij een zin als “Father, I killed my monkey – I let it out to taste the sweet of spring” helder als Val-Saint-Lambert voor U is. Tori Amos leerde in gewapende vrede met haar demonen te leven, vermits beide partijen toch niet tot capitulatie geneigd bleken te zijn en puurt daar in éénzelfde moeite songs als “Josephine” of “1000 Oceans” uit, als steeds gewapend met gloedvolle melodieën en stuwende piano’s en ongrijpbaar als de met groene zeep ingesmeerde Gladde Glipper. Pas ter hoogte van “Concertina”, song nummer drie, schuiven de stukjes van de “Venus”-legpuzzel in ons hoofd goed in elkaar en kan ook de eerste oneliner opgetekend worden: “The truth is in between the 1st and the 40th drink.” Om preciezer te zijn: linksaf voorbij de vijfde Duvel en dan moet je het nog maar eens vragen. “Glory Of The 80’s” is vervolgens een jammer geval van Geslaagde Song Vergooid Aan Banaal Onderwerp Te CD: het nummer verhaalt over de jaren waarin Myra Ellen Amos zich bij wijze van voorschot op een carrière in de zware metalen voluit laafde aan het wilde leven van L.A.. Niet getreurd echter: Al snel vernemen we in het daarop volgende “Lust” hoe het spel der seksen gespeeld wordt: Met een stel gemerkte kaarten, wordt ons duidelijk. In muzikaal opzicht blijkt uit “Venus And Back” dat de verrichtingen van Tricky en Portishead niet ongemerkt aan Amos’ deur voorbij zijn gegaan, getuige daarvan het introverte ”Juárez”, “Suede” en “Riot Poof”, een luidkeels om een “Professional Widow”-behandeling schreeuwende ode aan Koen Crucke. De hoofdprijs gaat tot slot naar “Spring Haze”, waar piano en drums elkaar in een opwaartse spiraal naar een hoogtepunt dwingen. Wat op toon gezette levenspijnen en -twijfels betreft hebben wij ook na het prima “Venus And Back” Suzanne Vega Hindoegewijs nog steeds een paar kasten hoger liggen dan Tori Amos, maar Alanis, Meredith, Fiona et les autres mogen wel uitkijken. Naar een aardige functie in het horecawezen bijvoorbeeld. (tvb)Labels: humo
Oude Humo-recensies: Gomez - Liquid Skin
Gomez – Liquid Skin (Hut/Virgin - CDHUT54 – 7243 8 48218 21)
“Kippevel is de norm”, stelde iemand ooit ergens, en sindsdien wordt hier bij iedere plaat standaard een legbatterij bijgeleverd, maar het thans voorliggende “Liquid Skin” van het Engelse Gomez had gemakkelijk zonder gekunnen. Wij ook trouwens, wegens (in dalende mate van letterlijkheid) onze buik vol van dioxines en gekakel. In 1998 was Gomez’ debuut “Bring It On” goed voor de prestigieuze Mercury Music Prize, alsook goed tout court. Daarvoor - nog zelfs vóór het allereerste Gomez-optreden - hadden vijftien platenbobo’s al een gevecht in regel om Gomez’ gunsten achter de nu losstaande kiezen. De prille twintigers klonken op het zelfgeproduceerde en grotendeels thuis opgenomen “Bring It On” nog minder Brits dan “The Star Spangled Banner” en ook “Liquid Skin” roept luidkeels de sfeer op van swamps en stoffige achterafweggetjes diep in het Amerikaanse Zuiden. Gomez brengt op een open vuur van Britpopplaatjes veel blues, een stevige slok (seventies)rock, een afgemeten schep folk, een scheut soul, een eetlepel funk en een snuifje country aan de kook en kruidt dit met lome ritmes, zuinig gebruikte, inventieve samples en driestemmige zang van evenveel zangers/gitaristen. Het resultaat smaakt naar Beck, Dr. John, Ben Harper en Beach Boys, maar ook onmiskenbaar naar Gomez en naar meer. In openingssong “Hangover” hebben banjo en sitar er samen de blues in en regent het vallende sterren, van de hemel gezongen door Ben Ottewell, een in het whiskeyvat gevallen puberzoon van Tom Waits. Als alle katers voelden zoals deze klinkt, schaften we ons terstond een verslaving aan. Strofes en refrein van “Revolutionary Kind” vormen een zoetzure combinatie die we bij de afhaalchinees nooit zouden durven bestellen, maar die hier wonderwel werkt. Volgende keer proberen we Peking-tang met varken (nr. 35). Het felle “Bring It On” (de song, hier terug te vinden wegens tram gemist voor het gelijknamige debuut) laat vervolgens meer gaten dan de verzamelde verdedigingen van de laatste België - Nederland. Voetbal (meer = meer) is echter een ander spelletje dan popmuziek (minder = meer) en Gomez tovert hier dan ook mooie forfaitcijfers op het scorebord. Ook het achteloze, loom pompende “Blue Moon Rising” lijkt slechts met grove steken aan elkaar gezet, maar houdt het zelfs wanneer op het einde Captain Beefheart met de drums de trap lijkt af te donderen. Een foutloos parcours rijdt Gomez niet op “Liquid Skin”. “Las Vegas Dealer” is iets te zeer van de hak op de net niet ver genoeg uitstekende tak en ook zonder “Fill My Cup” had de wereld verder kunnen draaien, maar beide zijn de jonge snaken gauw vergeven wanneer “We Haven’t Turned Around” zich aandient: Tijdens de voor deze wondermooie opvolger van “Tijuana Lady” gehouden luistersessie aan de voet van het Himalaya-gebergte, keerden echo’s van het veel te vroeg gegane Grant Lee Buffalo tot ons weder. Uit de ideeënrijkdom van single “Rhythm & Blues Alibi” had iedere mindere god vervolgens drie songs gepuurd: één met het machtige refrein, gezongen door de wederom uitblinkende Ottewell, één met het Smashing dEUS-gitaarinterludium en één met het inleidende “try anything twice”-gedeelte. Gomez hoeft niet zuinig te zijn op zijn talent en maakte er één magistrale wereldsong van. We zouden nog enige wervende volzinnen kunnen wijden aan prachtsongs als “Rosalita”, “California” of “Devil Will Ride”, ware het niet dat zulks volgende conclusie niet aan het wankelen zou brengen: “Liquid Skin” - mooie plaat, lelijke titel - misstaat niemand. Deze woorden zijn op middenstanderswijze gewikt en gewogen. (tvb)Labels: humo
Oude Humo-recensies: The Walkabouts - Trail Of Stars
The Walkabouts – Trail of Stars (Glitterhouse Records – GRCD 450)
Tot Kurt het licht uitdeed en Seattle weer gewoon de regenstad in het noordwesten van de U.S. of A. werd, was de druilerige thuishaven van Boeing vier jaar lang het epicentrum van de grunge-aardbeving geweest, die over de hele wereld naschokken veroorzaakte, voelbaar tot in de dure hoekkantoren waarin label representatives, A&R-managers en ander muziekindustrieel tuig hun ivoren-torenhoge salarissen probeerden te verantwoorden door ons op te zadelen met the likes of The Vul Maar Ins, Het Eender Wat Project en andere volstrekte non-talenten. Met de grunge herwon de ziel heel even de muziek op de commercie. De hitparade rook naar teen spirit van blinkende blije mensen. Lang vóór de concurrentie begrepen had dat plastic en bordkartonnen helden out en houthakkershemden, gitaargeweld en Remmington-geweren in waren, was het kleine Sub Pop-label uit Seattle reeds in de weer met Nirvana en andere recalcitrante lawaaipapegaaien. Sub Pop was merkwaardig genoeg ook de toenmalige werkgever van mede-Seattlenaars The Walkabouts, nederige werknemers die middels eenvoudige folkrock zichzelf en Sub Pop een boterham probeerden te verdienen, wat ook aardig lukte: Ironisch genoeg was de groep van Chris Eckman en Carla Torgerson in Europa de grootste inkomstenbron van grunge-label Sub Pop. Tien platen verder is er nu “Trail of Stars”, gevuld met melancholische indie-folk en –pop. Gestolen hebben The Walkabouts, zoekende lieden op doorreis, hun naam alvast niet: Songs als “Straight To The Stars” of “Till I Reach You” handelen over weggaan, onderweg zijn en niet aankomen. Zo staan wij iedere dag in de file. The Walkabouts zijn ook de ultieme doe-het-zelvers, die hun voorprogramma steevast door zichzelf, bij monde van voorvermelde Chris & Carla, laten verzorgen, kwestie van tweemaal langs de kassa te passeren en en passant een driedubbele existentiële identiteitscrisis aan te kweken. Schizofrenie is eveneens het toverwoord in het door Eckman aan het papier toevertrouwde en door Torgerson gezongen “Gold”, dat met zijn prachtig haperend pianomotief vers dampend uit de songkeuken van chef Nick Cave lijkt te worden geserveerd: Carla (ex-Chris) sings Chris (ex-Carla) to Carla. Ook in “Last Tears” worden de laatste resten van een doodgebloede relatie begraven, teneinde verder op weg te kunnen gaan. Naar het ingehouden “Desert Skies”, waarin een vlucht mierzoete strijkers zich aan een plechtige Tindersticks-melodie hecht. Fluor wordt echter dadelijk aangereikt onder de vorm van humor: “Our party in hell was cancelled – due to fire and thick smoke”. “Trail of Stars” kent helaas ook een aantal minder fonkelende momenten, waarin EO-rock en eenvormigheid vervaarlijk om de hoek gluren: “On The Day” en “Crime Story” zijn minder spannend dan de uitzendingen door derden van Whirlpool en daarom onze tijd en Uw geld niet waard. Voor het echte werk in de sector Hartverscheurend Mooi en Somber is het derhalve wachten op de nieuwste worp van Tindersticks (Sombermansen uit Nottingham, net als The Walkabouts half september uitgebreid te adoreren op Les Nuits Botaniques, het beste festival ter wereld), die zeer spoedig de beschaafde wereld (U daar, misschien?) dient te bereiken. Voor de anderen: Het Laatste Oordeel hebben we al gehad ter gelegenheid van de laatste zonsverduistering, maar in het Vagevuur levert aanschaf van voornoemde plaatjes U zegeltjes voor een herkansing bij Sint-Pieter op. (tvb)Labels: humo
Oude Humo-recensies: Television - The Blow-Up
Television – The Blow-Up (RUSCD8249)
Newark Airport achter ons, net een New Jersey turnpike passerend. Wet is het zeker, heet ook; night nog niet echt. Zo rij je New York binnen, denkend aan Tom Barman. Dat dEUS hier vanavond ook daadwerkelijk speelt, verneem je pas drie dagen later. De Manhattan skyline vertelt het hele verhaal: clichés zijn maar clichés omdat ze een grond van waarheid bevatten, wat ons meteen tot het in deze zin besloten Ultieme Cliché brengt. New York vertelt je uit de eerste hand hele happen uit het Grote Muziek- en Filmverhaal. Van Frank Sinatra en Lou Reed over King Kong naar de Wu-Tang Clan en weer terug, via de blues van Hill Street en Jon Spencer. New York City is de keizer der popsteden, die zijn consuls Londen en L.A. ternauwernood naast zich duldt: een Caligula; een mean motherfucker en allesverslinder met een gevoelige kant en een hartafwijking voor rock, rap en Ander Fraais. Een flauwe grappenmaker ook, die ons disco bracht waar het nu-skool breakbeat had moeten zijn. Even daarvoor, zo rond 1975, baarde NYC Patti Smith, Ramones, Talking Heads, Blondie en ook Television: bastaardkinderen van de vijf jaar eerder na een handvol ego-infarcten schielijk overleden Velvet Underground, die de mensheid met “Zijzelf & Nico” een afgebeten en geschroeid sjabloon voor moderne rock schonk, waarvan de verpakking (de hoes met de Warhol-banaan) op dat moment helaas meer weerklank vond dan de inhoud. The story of Joyce De Troch, quoi. Television, de benjamin van bovenvermelde vijfling, was grotendeels te herleiden tot de pezige romanticus Tom Verlaine (courtesy of Paul; Tom Miller voor de belastingdienst en zijn moeder), die gitaar en stemorgaan beroerde op de wijze van Neil Young goes Gilles de la Tourette. Verlaine versneed gelijke delen Velvet-rock, Coltrane-jazz, Dylan-folk en Beefheart-gitaarwaanzin tot Iets wat Levende en Minder Levende Helden als zijn bovengenoemde nAAMGENOOT, Greg Dulli van Afghan Whigs en Jeff Buckley mede de weg wees. Op het einde van het aardse pad van deze laatste troffen beide heren elkaar trouwens weer: in New York en Memphis nam Verlaine met Buckley op wat “My Sweetheart The Drunk” had moeten worden, maar de Mississippi, een raderboot en een stel bottines beslisten er die noodlottige 29ste mei anders over. Het afgeleide “Sketches …” laat horen wat had kunnen zijn. “Ter zake!”, wijst onze innerlijke Walter Zinzen ons niet geheel onterecht terecht: Television’s waarheid trotseert de eeuwigheid op het unieke “Marquee Moon” uit 1977: bestaande uit acht grofkorrelige maar heldere en met een wiskundige precisie en logica in elkaar gepaste popsongs met referenties aan psychologie, literatuur, plastische kunst en film, die toch niet te beroerd zijn om hun roots in de straten van de East Village te erkennen. Op “The Blow-Up”, een tot nog toe slechts op Stenen Tafel te verkrijgen live-registratie van een niet nader genoemd Television-optreden, is het aandeel van “Marquee Moon” bijgevolg groot. In de titelsong en opener wordt meteen duidelijk dat een strijd tussen lo-fi en no-fi hier met knock-out in het voordeel van het laatste werd beslecht. “The Blow-Up” werd aan de band toevertrouwd middels een derdehands, reeds viermaal versleten en door trapkracht aangedreven bandrecorder van Oezbeekse makelij, wat het ons hier geserveerde soms moelijker verteerbaar maakt dan bakstenen op nuchtere maag. “Marquee Moon”-klassiekers als “See No Evil”, “Prove it” en “Venus” staan desondanks bol van zinderende spanning: de ietwat zeurderige vocalen van Verlaine, de slangenbezwerende en ingenieus in elkaar hakende dubbelloops gitaarlijnen en de geknelde-zenuwritmes, telkens samen prachtig ex- en weer imploderend, vormen de ingrediënten van de krachtige en heldere Television-soep. De aanzwellende ruis in de linkerspeaker noopt ons er toe tijdens het kronkelende en wanhopig gezongen “Elevation” ons hoorapparaat bij te stellen, maar nog vermogen Verlaine & Co hier indruk te maken. Live bediende Television zich verder met succes van het hier in een dromerige Bettie Serveert meets Elvis Costello-versie terug te vinden “Knockin’ On Heaven’s Door”, waarin Verlaine de wedstrijd wint op de wijze van Luc Van Lierde, door dóór het lint te gaan. Niet al het hier gebodene kan bogen op zulke duidelijke troeven als voornoemde songs. Een slordig en te punky “Satisfaction” en het al te elementaire en betrekkelijk ongeïnspireerde “I don’t care” smaken naar minder. In de song “Marquee Moon” voeren twee vlijmscherpe riffs een wilde paringsdans op, met het oogmerk tot een Hoogtepunt te komen. Iets waarin ze met de vingers in de neus in slagen. De song “Marquee Moon” is Television’s eigen Luik-Bastenaken-Luik: een klassieker van de eerste orde. Episch waar het mag, bondig waar het moet. “The Blow-Up” is dus een aanrader, maar wie nog geen “Marquee Moon” aan zich heeft zien voorbijtrekken, kan zich beter middels een Michael Schumacher waardig inhaalmanoeuvre dat album op de hals halen. (tvb) Labels: humo